OESO luidt alarmbel over ongelijkheid

De OESO wijst op de verontrustende trend van toenemende ongelijkheid. Die heeft een negatief effect op de economie in haar geheel.

In haar studie In It Together: Why Less Inequality Benefits All gaat de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, een samenwerkingsverband van hoofdzakelijk geïndustrialiseerde en welvarende landen, op zoek naar de oorzaken van ongelijkheid en naar beleidsvoorstellen om die te bestrijden.

Ongelijkheid op recordhoogte

In de meeste landen bereikt de ongelijkheid onder de bevolking het hoogste niveau in dertig jaar. In de hele OESO verdient het rijkste tien procent van de bevolking vandaag gemiddeld 9,6 keer zo veel als het armste tien procent. In de jaren ’80 was dit nog een ratio van 7 op 1, om in de daaropvolgende decennia systematisch te stijgen.

Hoewel belastingsystemen in zeker mate ongelijkheid tegengaan, blijkt die herverdelende kracht van de fiscaliteit snel af te nemen. Bovendien stijgt de ongelijkheid sinds de crisis van 2008 als gevolg van een toenemende aantal werklozen, die hun inkomen volledig of grotendeels zien verloren gaan.

Het zou verkeerd zijn enkel te focussen op de tien procent laagste inkomens, stelt de OESO. Het gaat ook om de (lage) middenklasse, de veertig procent gezinnen met de laagste inkomens. Het beleid van besparingen treft in grote mate net deze groep, die het al moeilijk heeft om de eindjes aan mekaar te knopen.

Economische effecten

Dat groeiende ongelijkheid zware gevolgen heeft voor de maatschappij in haar geheel en de sociale cohesie, ligt voor de hand. Maar het is evenzeer nefast voor economische ontwikkeling op lange termijn. De tussen 1985 en 2005 toegenomen ongelijkheid is in de OESO-landen verantwoordelijk voor een verlies van 4,7 procent van het gecumuleerde bruto nationaal product (de welvaart die we met zijn allen jaarlijks produceren). Hoofdoorzaak hiervan is de grote kloof tussen de laagste inkomens – de laagste 40 procent – en de rest van de bevolking.

Toegenomen onzekerheid

Wij wezen er al eerder op, maar ook de OESO legt de nadruk op de groeiende werkonzekerheid als oorzaak van inkomensongelijkheid in de geïndustrialiseerde landen.

Eén derde van de werknemers heeft vandaag een tijdelijk of deeltijds arbeidscontract. De gevolgen hiervan zijn niet min: lager loon, minder kansen op opleiding, nauwelijks carrièremogelijkheden en dikwijls een totaal gebrek aan werkzekerheid. Gezinnen die hun inkomen halen uit niet-standaard vormen van arbeid (deeltijds, tijdelijk,…), lopen een veel hoger risico op armoede, gemiddeld 22 procent.

Schokkende verdeling van rijkdom

Als we kijken naar rijkdom in plaats van inkomen, is de kloof tussen rijk en arm – of tussen extreem rijk en de rest van de bevolking – ronduit schokkend.

De tien procent rijkste gezinnen in de OESO-landen bezitten gemiddeld samen de helft van alle rijkdom in hun land. De 50 procent daarna (tussen de 40 en 90 procent op de verdeling) bezit bijna de ander helft van de totale rijkdom. Ten slotte komen de 40 procent armste gezinnen aan de beurt. Zij moeten zich tevreden stellen met drie procent (!) van de nationale rijkdom. Hoge schuldenlast en gebrek aan inkomen maken dat die maatschappelijke groep niet investeert in duurzame goederen, zoals bijvoorbeeld een eigen huis. Dit is nefast voor de economische ontwikkeling van elk land.

Hoe moet het dan wel?

Gelukkig heeft de OESO ook enkele beleidsvoorstellen. We zetten de belangrijkste hier op een rijtje.

  • Meer participatie van vrouwen in het economisch leven.

Overheden moeten voluit streven naar gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het werkveld. Vrouwen moeten alle kansen krijgen om een carrière uit te bouwen en hebben recht op hetzelfde loon als mannen.

  • Meer jobs en kwalitatieve jobs.

Niet enkel kwantiteit, maar ook kwaliteit. Mensen moeten niet enkel aan een job geholpen worden. Deze job moet een werknemer in staat stellen zich persoonlijk te ontwikkelen, een carrière uit te bouwen en om te investeren, bijvoorbeeld in een eigen woning. Een baan mag in geen geval een doodlopend straatje zijn.

  • Investeer in vaardigheden en onderwijs.

De huidige Belgische regeringen doen het omgekeerde van wat overal wordt aangeraden. Ze besparen op onderwijs, kinderopvang en op de jeugd in het algemeen. Gezinnen met kinderen moeten ondersteund worden, vanaf jonge leeftijd. De jeugd moet de kans krijgen zich te ontwikkelen om meer mogelijkheden te hebben op de arbeidsmarkt. Vakbonden en bedrijven moeten samenwerken om tijdens de loopbaan de vaardigheden van werknemers verder te ontwikkelen.

  • Fiscaliteit in functie van herverdeling.

De OESO pleit voor een betere herverdeling via het belastingsysteem. De zogenaamde ‘tax shift’, waarover de afgelopen weken door de federale regering fors gebakkeleid werd, komt dus ook hier opduiken. Een rechtvaardige fiscaliteit, waar het ABVV samen met de andere vakbonden al lang voor strijdt, is een krachtig middel voor herverdeling. Dit kan de ongelijkheid in een samenleving wegwerken. Tegelijkertijd stimuleert herverdeling de economische groei. Regeringen moeten ervoor zorgen dat rijke individuen, maar zeker ook transnationale ondernemingen, hun belastingen eerlijk betalen.

 

©abvv.be